Individu E

Door Anita Meuris

 

DSCN1958 (2).JPG

 

“Angela!”

Davids penetrante stem deed een hoekje van haar maag opkrullen, als papier dat te dicht bij een vlam wordt gehouden. In de spiegel zag ze hoe donker de kringen rond haar ogen waren geworden en haar haren leken met alcoholstift op haar zorgjas gekribbeld.

Ange!

Ze concentreerde zich op haar ademhaling. In en uit. In en uit. Toch boorde de pijn als een schroevendraaier door haar hersenen.

“O nee,” kermde ze, “toch niet weer!”

Ze rommelde tussen potjes en flesjes tot ze een pijnstiller vond. Ondertussen riep ze over haar schouder:

“Ik kom eraan, David!”

Gekleed in een perfect gesneden pantalon wachtte haar man haar in de slaapkamer op. Zijn bleke haar was strak achteruit gekamd, waardoor zijn gezicht een nog strengere uitstraling kreeg. Eén mouw van zijn overhemd was gesloten met een gouden manchetknoop. Met de andere wapperde hij in haar richting.

“Kijk eens wat een enorme kreuk!”

Ze stak haar hand uit.

“Geef maar hier. Dan strijk ik het snel opnieuw.”

Davids ogen pinden haar vast tot ze het hemd voor hem losknoopte.

8:35 gaf de wandklok aan. Ze zou weer te laat zijn op haar werk.

 

*

 

In de liftkoker veegde ze een spatje mascara van haar jukbeen. Ze haalde wat lipstick over haar lippen en pulkte een paar keer aan haar pony. Daar was die pijn weer, alsof iemand letters kerfde in de nerven van haar brein.

Ping!

Zuster Francine stond haar voor de lift op te wachten.

“Aha,” smaalde ze. “Daar ben je! Ik was al bang dat je de weg niet meer vond. Tony wacht dringend op zijn medicatie.”

Onderdanig liep Angela langs haar heen.

“Ik ben al onderweg!”

Achter deur 305 zat mijnheer Thijs in een rolstoel voor zich uit te staren. In de kamer ernaast murmelde Louise Vroos een mantra. De negentienjarige Tony Blanckaert lag languit op de vloer met een stift in zijn handen. Hij had rattig haar en een vlezig, rond gezicht.

“Goeiemorgen, Tony,” zei ze opgewekt. “Hoe gaat het vandaag?”

De jongen tekende een reeks slordige cirkels op een ruitjesschrift en op het greige linoleum.

“Wat zijn dat?”

Vanachter zijn beduimelde brilglazen keek Tony haar duf aan.

“Vogels.”

“Angela …”

Hoofdzuster Schellekens was achter haar opgedoken. Haar zonnenbankbruine huid was door talloze rimpeltjes gebroken en haar irissen waren hard als knikkerglas.

“Sorry dat ik wat aan de late kant ben,” stak Angela van wal. “Mijn man …”

Iris Schellekens snoerde haar de mond: “Je wordt gevraagd in Zone E.”

Als een flipperbal stuiterde Angela’s hart tegen haar ribben.

“Nu onmiddellijk.”

 

*

 

1,

0,

-1,

-2.

Ping!

Ze stapte uit de liftcabine in een raamloze gang die werd verlicht door een sliert TL-buizen. De eerste paar kantoren waren verlaten, maar verderop klonken stemmen:

“Schiet eens wat op met die pijnstiller!”

Ze stak haar hoofd om de deur en zag dokter Verbraeken op de rand van een onderzoekstafel zitten. Zijn kraag hing onder het bloed.

“Geef hier,” snauwde hij. “Ik doe het zelf wel.”

Hij griste een injectiespuit uit de handen van een verpleger en duwde ze in zijn arm.

“En waar blijft Joris verdomme! Met één oog kan ik mezelf niet oplappen.”

Onverwacht draaide hij zijn hoofd naar Angela toe. Over zijn linkerwang liepen bloederige striemen, alsof iemand met spijkers in zijn gezicht had geslagen. Zijn oog was bloeddoorlopen en opgezet. Ze had het gevoel dat ze iets moest zeggen.

“Heeft hij dat gedaan?”

“Het is geen ‘hij’.”

“Als ik Joris zie,” zei ze, “dan stuur ik hem naar je toe.”

In de observatiekamer stonden alle monitors aan. Op een grote flatscreen was een ruimte met glazen wanden te zien. Dun en licht als klaproosblaadjes sijpelde er bloed over de vloer.

“Waar is hij?” vroeg ze zich luidop af.

Dokter Wouters keerde zich naar haar toe, zijn wijsvinger naar boven uitgestrekt. Op het scherm sprong iemand zijlings tegen een wand. In een oogwenk zat diezelfde persoon met zijn gezicht voor de camera, drie meter boven de vloer.

“Hij heeft zich weer bevrijd,” lichtte de dokter toe. “Zijn botten lijken wel rubber. We hebben de dosis tranquilizers inmiddels verdrievoudigd.”

“Laat mij het nog eens proberen.”

Dokter Wouters trachtte haar niet op andere gedachten te brengen. Integendeel, hij duwde een injectiespuit in haar handen, greep haar elleboog en loodste haar naar het einde van de gang. Daar drukte hij zijn duim op een scanner en ontgrendelde een stalen deur.

“Succes,” zei hij met een klopje op haar schouder.

Ze betrad een overbelichte ruimte met glazen panelen die uitkeken op donkere, verlaten gangen. Achter haar klikte de deur weer in haar slot. In een hoekje van de kamer zat het wezen dat ze Twijgje noemden.

Het is geen ‘hij’.

Op armafstand hurkte ze voor hem neer. Het zoemende geluid dat uit zijn strot opsteeg, kietelde als bijenpootjes op haar huid. Hij drukte zijn dunne vingers op de vloer. Aan het einde liepen ze over in puntige tentakels, waaraan bloed kleefde.

“Hoor je me?” dacht ze zo expliciet mogelijk.

Het wezen richtte zijn hoofd op. Zijn huid was zo doorzichtig als het vel van een foetus en vertoonde een takachtig patroon van zwarte aderen. Vanop een afstand leek het of hij geen lippen had. Als contrast waren zijn ogen groot en pekzwart.

“We doen het net als de vorige keer,” prentte ze in zijn geest. “Oké?”

Behoedzaam kroop Twijgje naar haar toe. Het aanzwellende gezoem deed het glas trillen en een bloeddruppel viel op de vloer. Ze hield haar vinger tegen haar neus; het was hààr bloed. Met haar rug naar de camera gericht, drukte ze de spuit niet in, maar op Twijgjes ader. Als een skelet in een spookhuis zeeg hij ineen.

“Goed zo,” dacht ze.

 

*

 

Het was stil in haar hoofd toen ze de lakens van mevrouw Vroos ververste, de wortelpuree van mijnheer Thijs van de muur schrobde en Tony zijn avondmedicatie gaf. Zelfs toen ze haar sleutels in een houten kistje in haar flat deponeerde, hoorde ze Twijgje niet.

“David?” weergalmde haar stem.

Ze pakte haar GSM uit haar handtas en wandelde naar het balkon. Wat miste ze de open horizon achter haar ouderlijk huis. Ze had het nooit mogen verkopen, maar ze was zo euforisch geweest toen David voorstelde om bij hem in te trekken. Zo’n knappe, intelligente man. Ze had zich uitverkoren gevoeld, alsof haar leven eindelijk betekenis kreeg.

David smste:

“Uiteten met een klant. Je hoeft niet op te blijven.”

Ze gooide de telefoon op het salontafeltje en vulde een bad. Daarna schonk ze een glas wijn in en ontdeed ze zich van haar werktenue. Het water kolkte warm rond haar enkels. Twijgje … Ze stelde haar geest voor hem open, maar er gebeurde niets. Na een half uurtje soezen, besloot ze naar bed te gaan.

Ze schrok wakker van Davids handen op haar huid. Klef en warm. De gistachtige geur van alcohol walmde door de kamer.

“David,” mompelde ze. “Hoe laat is het?”

Zijn vochtige lippen beroerden haar oorschelp.

“Tijd voor ons.”

“Ben je dronken?”

Zijn stem kreeg een scherp randje:

“Wat maakt dat uit?”

Ze knipperde haar ogen open en keek naar zijn overschaduwde gezicht. Zijn ogen hadden dezelfde kleur als het maanlicht.

“Niets.”

Gretig likte hij aan haar lippen. Aan de zijkant van haar schedel begon iets te gonzen.

 

*

 

In de kelderverdieping van het hospitaal beende dokter Wouters met grote stappen op haar af. Zijn witte jas wapperde rond zijn benen.

“Vanaf nu sta je permanent op project E,” riep hij haar tegemoet.

Ze hief een smalle wenkbrauw op.

“Krijg ik dan ook inzage tot de dossiers?”

Even keek hij haar wantrouwig aan. Toen zei hij:

“Ik neem aan dat dat nodig zal zijn. Ik laat een geheimhoudingsverklaring opmaken.”

“Hoe stelt hij het vandaag?”

“We hebben zijn cel moeten aanpassen.”

Terwijl ze praatten, volgde Angela de dokter door de gangen. Ze keek hoe hij codes intoetste en zijn duim op de scanner plaatste. Onder haar schedeldak zwermde een hele horde bijen.

“Wat heb je?” beet Wouters haar toe.

Onbewust had ze haar handpalmen tegen haar slapen gedrukt.

“Niets. Ik heb vannacht niet zo goed geslapen.”

“De muren zijn gewatteerd,” veranderde de dokter het onderwerp.

“Was er weer een incident dan?”

Wouters trok aan haar arm.

“Je krijgt het volledige dossier vanmiddag toegestuurd. Eerst moet je ervoor zorgen dat hij kalm is voor de volgende test.”

Geketend zat Twijgje op een matras tegen de muur. Ze concentreerde zich op haar gedachten:

“Straks moet je doen wat ze zeggen.”

Zijn oogleden trilden.

“Het duurt niet lang meer. Beloofd.”

Gewapend met tasers rolden twee verplegers een tafeltje naar binnen. Daarop stond een computer en iets wat leek op een peelhelm met aan de bovenkant een web van draden.

“Hersenscan,” legde één van de mannen uit. “Volkomen pijnloos.”

De puntige tentakels van Twijgjes vingers dwarrelden langs haar ruggengraat. Een vlaag endorfine verspreidde zich door haar lichaam. Ze deed haar best om haar stem vast te laten klinken:

“Hij is er klaar voor.”

 

*

 

Het afschuwelijke geloei van de scanner schalde nog door haar hoofd toen ze haar PC opstartte. Ze had één van de cabines in de westelijke vleugel toegewezen gekregen. Zoals beloofd vond ze Twijgjes dossier in haar inbox. Het onderwerp van de e-mail luidde: “Individu E.”

Het eerste bestand toonde een scan van zijn lichaam. Zijn botten leken er doorzichtig op, als het weefsel van een kwal. Ze opende het bijhorende tekstbestand en liet haar blik over de woorden glijden:

“humanoïde organisme …”

“onbekende DNA-structuur …”

“12 borstwervels …”

“afwijkende organen …”

Haar hart bevroor. Ze hadden een kijkoperatie op hem uitgevoerd. Bloedafnames. Mergbeenpuncties.

Op de sharepoint vond ze de dagschema’s voor de volgende weken. Ze prentte de uurroosters in haar hoofd en sloot rond half zeven haar computer af. Ze zorgde ervoor dat haar bureau netjes was opgeruimd voordat ze haar vest van de kapstok nam. Vanuit haar hersenstam rees een schreeuw op die haar nekhaartjes rechtop deed staan. Wat er ook met Twijgje gebeurde, het was beslist niet pijnloos.

 

*

 

“Angela?”

David stak zijn hoofd om de deur. Zijn haren waren nog vochtig van de douche en hij had zijn pak ingeruild voor een T-shirt en een trainingsbroek.

“Waar zat je?”

Ze deponeerde haar sleutels in het kistje en trok haar vest uit.

“Ze hebben me verplaatst naar een andere afdeling.”

“Bedoel je dat je voortaan elke dag zo laat thuis bent?”

Ze keek in zijn ogen, maar kon zijn ziel niet zien.

“Jeetje, Ange! Je bent maar een verpleeghulp hoor, geen chirurg!”

“Ik begin wel aan het eten.”

Ze wou langs hem heen lopen, maar hij greep haar arm.

“Hé …”

Met neergeslagen ogen bleef ze staan.

“Ik heb een cadeautje voor je. Wil je niet weten wat het is?”

Ze probeerde zich te herinneren welke dag het was. Hun jubilaris was in september, haar verjaardag in februari.

“Ontspan je,” teemde David. “Ik mag mijn vriendin toch wel eens verrassen? Hier.”

Vanachter zijn rug toverde hij een langwerpige doos tevoorschijn. Ze maakte het roze lint los dat eromheen zat en opende het deksel. Een babydol uit doorzichtig netweefsel. Ze hield haar gezicht in de plooi en forceerde een fletse glimlach.

“Dank je, David. Het is prachtig.”

 

*

 

Zondag ochtend maakte David zich klaar voor de fitness. Ze keek hoe hij met zijn handen door zijn haar ging, zijn shirt op kreuken inspecteerde en uiteindelijk zijn tas pakte. Voordat hij naar buiten ging, kuste hij haar vluchtig op haar mondhoek. Een paar minuten later zag ze vanaf het balkon zijn Audi de garage uit rijden. Snel pakte ze de envelop die ze tussen haar kleren verborgen had en zette die op de schouwmantel.

“Voor David.”

 

De parking van het hospitaal was nagenoeg verlaten. Ze parkeerde aan de zijkant van het gebouw en glipte naar binnen.

1,

0,

-1,

-2.

Ping!

Met trillende vingers tikte ze de code in. De eerste deur werd ontgrendeld. Een verpleger kruiste haar zonder gedag te zeggen. Resoluut beende ze naar de cabine van dokter Wouters. Haar vingers sloten zich om de injectiespuit in haar handtas.

“Wachtdienst,” stond op het dagschema, “zondag 8.30h – 12.30h: Wouters, D.”

“Angela?”

Hij zei haar naam op hetzelfde moment dat hun blikken elkaar kruisten.

“Wat doe jij hier vandaag? Jij had toch geen …”

Ze stormde op hem af en ramde de spuit in zijn halsslagader.

“Aw! Wat doe je verdomme?!”

“Sttt…”

Haar vrije hand sloot zich over zijn mond.

“Alles in orde?” vroeg iemand achter haar rug.

Snel moffelde ze de spuit weg. De verpleger die haar vanuit de gang vorsend aankeek, had de dag ervoor het tafeltje met de hersenscanner naar binnen gerold.

“Prima,” antwoordde ze. “Dokter Wouters en ik bespreken net het plan voor morgen. Vind je het erg om de deur te sluiten?”

De man wierp een snelle blik op Wouters, die verkrampt op zijn stoel zat.

“Tuurlijk niet. Neem jullie tijd.”

Ze wachtte tot ze het slot hoorde klikken om een prop watten in de dokters mond te stoppen.

“Je vraagt je vast af wat er gebeurt,” zei ze. “Dit goedje verlamt je spieren. Ja, ook je spraakspieren, maar maak je geen zorgen.”

Ze pakte een chirurgisch mes uit een lade.

“Dit is volkomen pijnloos.”

Het mes scheerde door de lucht en hakte in één haal Wouters’ duim af. Zijn pupillen verwijdden zich, maar er kwam geen geluid uit zijn strot. Angela rolde de duim in een gaas en stak hem in haar tas. Daarna duwde ze zijn stoel voor het bureau, zodat het leek of hij aan het werk was.

Ze tikte gememoriseerde codes in en plaatste de duim op de scanner. Een reeks lange, donkere vingers plooide zich als spinnenpoten om de deurpost.

“Twijgje,” fluisterde ze. “Snel!”

Op handen en voeten klom het wezen tegen de muur naar omhoog.

“David,” stond er in haar brief, “doe geen moeite om me te vinden. Je weet best dat geen van ons beiden dat wil.”

Ze stak haar hoofd om de muur en wachtte tot de verpleger in één van de cabines verdween om zich naar de lift te haasten. Boven haar hoofd tokkelden Twijgjes vingers op het stucwerk.

“We zijn er bijna,” dacht ze.

Een andere stem dan die van Twijgje gaf antwoord:

“Angela? Wat doe jij hier?”

Voordat ze iets kon zeggen, weergalmde een lijzig gejammer door de gangen. Dokter Wouters’ verdoving begon zijn uitwerking te verliezen.

Met een plof liet Twijgje zich op de verpleger vallen. Zijn vingers kropen in zijn keelholte. Toen hij ze terugtrok, bungelde er een tong tussen. Angela greep zijn pols en trok hem achter zich aan naar de lift. Achter hen krabbelde de verpleger moeizaam overeind. Het bloed gorgelde in zijn keel en hij keek Angela vol haat aan.

Ping!

Terwijl de man gestaag naar hen toe strompelde, trok Angela Twijgje de lift in.

0

0,0,0,0,0,0

Ze drukte de toets almaar in, alsof ze kramp had in haar vinger. De verpleger was inmiddels tot op armlengte genaderd. Met een schok zette de koker zich in beweging. Aan de andere kant schopte de verpleger woest tegen de gesloten deuren.

 

*

 

Zo’n tweehonderd kilometer ten zuiden van het hospitaal lag een verlaten boerderij die aan alle kanten omringd werd door velden en bossen. Sinds de dood van haar excentrieke oom Bob, zo’n anderhalfjaar geleden, was het pand in Angela’s bezit. Niemand wist ervan, behalve Twijgje, die met gekromde rug op de passagiersstoel zat. Ze reed de schuur naast het huis binnen en klikte haar portier open.

“Wacht hier,” ordonneerde ze. “Ik ben zo terug.”

Twijgjes oliezwarte ogen namen haar nieuwsgierig op, maar hij bleef gehoorzaam in de wagen zitten. Langs het kreupelhout sloop Angela naar de voorkant van het huis. Haar hand lag net op de klink toen een bekende stem haar deed schrikken:

“Dacht je dat ik deze plek niet kende?”

Abrupt draaide ze zich om.

David leunde met een schouder tegen de gevel en keek haar pedant aan.

“En sinds wanneer spreek jij trouwens in naam van ons beiden?”

Ze deed haar best om geen schichtige blik op de schuur te werpen.

“Ik maakte je niet gelukkig, David,” legde ze uit, “hoe erg ik ook mijn best deed en hoe harder ik mijn best deed, hoe ongelukkiger ik zelf werd.”

“Ik heb je alles gegeven!” overstemde David haar. “Je was een nul voordat je mij leerde kennen. Een NUL! Je hebt mij nodig, Angela.”

Met bevende handen duwde ze de deur open. Harde, dikke vingers knepen in haar arm.

“IK beslis wanneer het voorbij is,” siste David, “en dat is niet nu!”

Achter zijn schouder rees het kalkwitte gezicht van Twijgje op. Zijn aderen waren gezwollen en zijn ogen glommen als toermalijn.

“Kijk me aan!” ging David verder. “Ik zal je eens tonen wat respect precies ….”

Halverwege zijn zin werd hij zich bewust van de aanwezigheid achter zijn rug. Uiterst voorzichtig draaide hij zich om. Als de nappen van een octopus zogen Twijgjes vingers zich vast aan zijn vel. De vloeistof die ze afscheidden, verschrompelde zijn huid. Een doffe kreet borrelde in Davids keel. Automatisch wendde Angela haar blik af. Toch zag ze hem vanuit haar ooghoek op de grond zakken. Uit de plekken waar Twijgje hem had aangeraakt, kringelde rook op.

“Kom snel,” murmelde ze. “Deze kant op.”

Op zijn pezige voeten volgde Twijgje haar naar de achterkant van het huis, waar het enorme landgoed van oom Bob zich tot aan de bossen uitstrekte.

“Hoe vind je het?”

De koele tentakels beroerden nu haar gezicht. Endorfine sijpelde in haar bloed. Het volgende moment groef Twijgje zich onder de grond. In haar gedachten dook een beeld op van een ingenieus ondergronds gangenstelsel. Een blauwdruk van Twijgjes nieuwe woonst. Eén gang mondde uit in oom Bobs slaapkamer, hààr slaapkamer.

 

 

© Anita Meuris

 

 

 

Een gedachte over “Individu E

Plaats een reactie