Door: Anita Meuris

Vrijdag namiddag.
De handbal ramde Andy’s maag. Door de pijn kromp hij ineen. Ondertussen deed hij zijn best om het gegniffel te negeren dat overal om hem heen opsteeg. Mijnheer Stijnen maakte er een einde aan door luid op zijn fluitje te blazen.
“Uit de weg, rosse Rosti,” smaalde een joch.
Iemand stootte tegen zijn schouder. Weer zoefde de bal door de lucht. Hij ging over het net en weer terug. Over het net en weer terug. Sneakers piepten op het linoleum. Alleen Andy stond stijf als een wassen pop op het veld. Mijnheer Stijnens fluitje galmde door de zaal.
“Genoeg voor vandaag!” bulderde hij. “Kleed jullie maar om en dan naar huis!”
“Goeie bal,” schertste iemand en passant in Andy’s oor.
“Ja,” viel een ander bij, “twee petieterige, rosse balletjes!”
“Hup, hup, hup!”
Mijnheer Stijnen klapte aanmoedigend in zijn handen.
“De zaal sluit over een kwartier!”
Met gebogen hoofd stiefelde Andy naar de kleedkamers. Daar zocht hij het hokje waarin hij zijn spullen had achtergelaten. Het laatste hokje van links, waar ze de bezems bewaarden. Zijn klasgenootjes vonden dat toepasselijk, aangezien een bezem wel wat op hem leek. Zijn kleren lagen niet meer op de vloer.
“Vijf minuten!” kondigde mijnheer Stijnen aan. “Zorg ervoor dat niemand opgesloten raakt!”
Gekleed in zijn T-shirt en korte broek strompelde Andy de ijzige oktoberwind tegemoet. Vanop de parkeerplaats riep iemand zijn naam. Een slanke vrouw met lang, kastanjebruin haar beende op hem af.
“Waar zijn je kleren?” riep ze.
“Kwijtgeraakt tijdens de les. Sorry, mam.”
“Je bedoelt dat iemand ze gepikt heeft?”
Zijn moeder pakte zijn arm beet.
“Jeetje, Andy. Je moet echt eens leren om voor jezelf op te komen. Nu moeten we eerst naar huis voordat we naar je vader toe kunnen.”
Vrijdag avond.
Andy pulkte aan de kraag van zijn trui terwijl hij zijn moeder door de glimmende gangen van het ziekenhuis volgde.
Kamer driehonderdenzes.
“Hallo lieveling!” riep zijn moeder teder uit.
Ze liep de kamer in, zette zich op het voeteneinde van het bed en pakte zijn vaders bleke hand. In zijn keel zat een buisje dat aangesloten was op een beademingsmachine. Aan de zijkant van zijn schedel was zijn haar weggeschoren en zat er een diep, korrelig litteken.
“Zeg je vader eens gedag, Andy.”
“Hallo papa,” fluisterde hij.
“Dichterbij,” drong zijn moeder aan. “Papa kan je amper verstaan.”
Andy boog zich over zijn vaders uitgemergelde lichaam. De geuren van stijfsel en ontsmettingsmiddel drongen zich aan hem op.
“Hallo papa.”
Een luid getik deed hem opspringen:
TOKTOKTOKTOKTOKTOK!
Met een ruk trok mama het gordijn opzij. Achter het raam staarde een grote, zwarte vogel Andy met open bek aan.
“Ksst!” siste mama en ze wapperde met haar handen voor het glas. “Scheer je weg, dom beest!”
Vrijdag nacht.
In het okerkleurige licht van zijn nachtlamp tekende Andy kraaien. Ze scheerden majestueus door de lucht, pikten naar glimmende steentjes en landden op grafstenen en doodskoppen. Bij het horen van zijn moeders voetstappen sloeg hij het schrift dicht en verstopte het onder zijn kussen.
Hij droomde over de brug. Hij stond op de reling met de groezelige rivier onder hem. Vanuit het donker kroop een stel vingers naar hem toe. Hij schrok er zo hard van dat hij zijn evenwicht verloor en viel.
Plons! Zijn lichaam brak door het wateroppervlak en de duisternis sloot hem in.
“Néééééééééé!”
Met een ruk werd hij wakker. Hij hoorde de kreet nog steeds. Voorzichtig glipte hij onder de lakens vandaan. Hij volgde het gejammer naar de kamer van zijn ouders, waar hij behoedzaam naar binnen gluurde.
“Mam?”
Zijn moeder zat in het donker naast het bed met haar gsm in haar handen.
“Wat is er, mam?”
Haar stem klonk dik van de tranen:
“Je vader is zopas overleden.”
Zaterdag middag.
Al slenterend schopte Andy kiezeltjes over het tuinpad. In zijn achterhoofd gonsde de koeling van het funerarium nog na. Hij had maar heel even naar zijn vaders lichaam gekeken, net lang genoeg om te zien dat zijn lippen spierwit waren en zijn huid als een zeem over zijn schedel hing.
“Andy-Boy!”
Achter het tuinhek leunde mijnheer Oomen op zijn hark. Zijn witte haar zat in de war en zijn grote, ronde bril was beduimeld.
“Heb je soms zin in chocolademelk? Zeg maar ja. Dan kan ik even uitrusten.”
Andy maakte het poortje tussen hun tuinen open en volgde mijnheer Oomen naar de witgeverfde hoeve die hij sinds de dood van zijn vrouw in zijn eentje bewoonde.
“Ik heb echte melk van bij de boer,” vertelde mijnheer Oomen. “Pak jij hem maar vast uit de berging. Dan haal ik de cacao.”
Andy wandelde de aanliggende schuur binnen en keek er met fonkelende ogen om zich heen. Overal stonden porseleinen beelden, stoffig speelgoed en gereedschap. Op één van de propvolle schappen stonden de melkflessen. Hij griste er eentje weg en haastte zich naar de keuken, waar mijnheer Oomen net een chocoladecake op tafel zette.
TOKTOKTOKTOKTOK!
Op de vensterbank waren twee grote kraaien neergestreken.
Maandag morgen.
Op de poster die naast zijn bank hing, bood een zombie in American football tenue Andy een bloederig mensenhart aan. Hij staarde ernaar tot iets tegen zijn hoofd stuiterde. Onder zijn stoel rolde een prop papier uit. Hij raapte ze op, vouwde ze open en staarde naar een tekening van viltstift. Een geraamte met uitpuilende ogen en een dikke, zwarte tong. Bovenaan stond geschreven: “Ontmoet Andy Senior.”
Juf Lievens’ stem drong maar langzaam tot hem door:
“Wat hebben we afgesproken over briefjes uitwisselen tijdens de les?”
Voordat hij het doorhad, griste ze het papiertje uit zijn handen. Toen ze weer sprak, klonk haar stem een octaaf hoger: “Wie heeft dit gedaan?”
Niemand gaf antwoord.
“Als de anonieme kunstenaar zich niet onmiddellijk bekend maakt, krijgt de volledige klas strafstudie!”
Andy staarde naar de zombie. Hij had zoveel lijnen in zijn gezicht dat het leek of hij grijnsde.
“Prima!” kirde de juf. “Dan wordt het strafstudie en denk maar niet dat jullie ouders hier niet van horen!”
Zodra de bel ging, holde Andy naar buiten. Hij graaide zijn fiets en racete naar huis. Hij zette zoveel druk op zijn pedalen dat zijn voetzolen er pijn van deden.
“Hé Rosti!” schreeuwde iemand achter hem. “Waar ga jij zo snel naartoe?”
Een ander viel in: “Ja, flepke, waar is de juf nu?”
Eén van de jongens stuurde zijn voorwiel in Andy’s spaken. Zijn fiets kantelde en hij kwakte met zijn schouder tegen het beton.
“Tot morgen, loser!”
Met de kapotte fiets in zijn handen hinkte Andy naar huis. De voordeur van mijnheer Oomen stond open en er stond een ziekenwagen op de oprit.
Donderdag avond.
Op het doodsprentje van mijnheer Oomen was een tak met wat grijze blaadjes gedrukt.
“Het spijt me zo, Andy,” zei mama met een koele hand op zijn wang.
Ze zat op het voeteneinde van zijn bed en keek meelijhebbend neer op zijn betraande gezicht.
“Ik weet dat hij je vriend was, maar hij was ook een oude man en zijn hart werkte niet meer zo goed.”
Andy liet zijn hoofd in zijn kussen zakken en sloot zijn ogen.
“Ja,” fluisterde zijn moeder. “Rust maar een beetje.”
In zijn droom stond Andy op de brugreling met in zijn neus de metaalachtige geur van de rivier. Hij viel. De wind suisde in zijn oren. Troebel water gulpte in zijn mond. Ergens boven het wateroppervlak kraste een kraai.
Met een ruk schrok hij wakker.
“Kraa! Kraa!”
Met een wild vleugelgeklap maakten twee grote kraaien zich achter het raam uit de voeten. Andy zuchtte. Ze hadden tenminste niet op het glas getikt. Hij liet zich weer onder de lakens glijden en sloot zijn ogen.
“Kraa! Kraa!”
“Ga weg,” fluisterde hij.
TOKTOKTOKTOKTOK!
Vrijdag namiddag.
“Ga weg! Ga weg!”
Hij herhaalde de woorden almaar in zijn hoofd, maar ze bereikten zijn stembanden niet. Een groepje jongens had zich in een kring om hem heen verzameld.
“Hoe vond je de les biologie, Rosti?” riep er één. “Schimmels en rot. Je dacht vast aan je ouwe of niet?”
Iemand trok aan zijn rugzak.
“Toon eens wat je daar hebt, kleine Schimmel!”
De rugzak gleed van zijn schouders. Een jongen met blond piekhaar maakte hem open en gooide er een blikje fruitsap uit, een iPod en Andy’s schetsboek. Verwoed graaide Andy om zich heen, maar de jongen was hem te snel af.
“Hebben? Kom maar halen!”
De hele groep volgde de leider op een drafje naar de brug.
“Stop!” krijste Andy.
De jongen met het blonde haar zwierde het schetsboek over de reling. De pagina’s met tekeningen van kraaien, grafstenen en het gezicht zijn vader ritselden in de wind.
“Schiet op!” riep de jongen, “of wil je dat ik dit in het water gooi?”
Op trillende benen schuifelde Andy naar hem toe.
“En nu op de reling!”
“Marti,” pruttelde een vriendje tegen. “Gaan we niet iets te ver? Wat als hij valt?”
“Hij moet er alleen maar op gaan zitten.”
Kraa! Kraa!
Boven hun hoofden cirkelden twee kraaien. Met trillende armen hees Andy zich omhoog. Hij sloeg zijn been over de reling en klemde zijn handen om het kille ijzerwerk.
Kraa! Kraa!
Een hand kwam op hem af. Het was allemaal precies als in zijn droom! Nog even en hij zou vallen!
Zijn hese schreeuw versmolt met die van de kraai. Die vloog naar de jongen met het piekhaar en klauwde herhaaldelijk in zijn gezicht. Een paar vriendjes zette het op een lopen. De tweede kraai scheerde rakelings over hun hoofden.
TOKTOKTOKTOKTOK! Zo pikte de kraai op het hoofd van de blonde jongen. Zijn kompaan draaide intussen met zijn handen voor zijn gezicht in het rond. Wijnrood bloed sijpelde tussen zijn vingers door.
“Marti?” riep hij schor. “Ik zie niets meer! Marti?!”
Met bebloede pootjes landde de kraai naast Andy op de reling. Haar oog was als een glimmende knoop.
Kraa! Kraa!
Het volgende moment was er enkel nog de zucht van haar vleugels.
Voorzichtig klauterde Andy van de reling af. Het schrift lag een paar meter verderop op de straat. Met zijn rug tegen het ijzerwerk gedrukt, wachtte hij tot het gevoel in zijn benen was teruggekeerd. Een windvlaag sloeg een bladzijde om. De grafietogen van zijn vader keken hem vriendelijk aan. Gretig liep hij ernaartoe. Het geloei van een claxon dreunde in zijn oren. Hij keek om en zag nog net de grill van een vrachtwagen voordat alles zwart werd.
Zondag morgen.
Vanop de smeedijzeren windvaan van de kerk keek Andy naar de vlekjes van mensen die zich rond de lijkwagen hadden verzameld. Hij liet zich vallen, vleugels gespreid, zwevend op de wind.
Kraa! Kraa!
De jongen met het blonde haar keek verschrikt naar omhoog. Hij had krassen in zijn gezicht en een bloeddoorlopen oog.
Kraa! Kraa!
Rakelings zoefde Andy over zijn hoofd. De jongen schreeuwde, maar het was zijn tijd niet.
Tegen het vallen van de avond landde hij op de vensterbank van mijnheer Stijnen. Door het vlekkerige glas zag hij hem op zijn loopband rennen. Zijn shirt was doorweekt en zweet druppelde op de vloer.
Kraa! Kraa!
Zijn puntige bek hamerde tegen het raam.
TOKTOKTOKTOKTOK!
Mijnheer Stijnen ging zodanig op in zijn workout dat hij het niet hoorde.
Kraa! Kraa!
Andy vloog op en cirkelde rond het dak. Binnen boorde een scherpe pijn door de borst van mijnheer Stijnen, die strompelde en van de loopband viel. Hij sloeg er niet meer in om overeind te komen.
© Anita Meuris
